“Opzouten!”, door Jacco Kroon

We vechten elkaar de tent uit in deze individualistische tijden. Ruim baan voor onszelf, ten koste van de rest. Ook op kantoor liggen collega’s altijd op de loer om ons territorium binnen te dringen. Carp geeft tips om de werkdag ongeschonden door te komen.

Het lijkt of we elkaar steeds meer in de weg zitten. In de trein ergeren we ons kapot aan de onbenullige gesprekken van onze medereizigers. Bellen we zelf, dan moeten al die suffe kantoorklerken het niet wagen daarover te zeiken. Achter het stuur vervloeken we de roekeloze fietsers die uit het niets voor onze gril langs schieten. Maar als we zelf tussen het walmende blik door laveren, maken we boze automobilisten uit voor proleet. Ongevoelig voor de personal space van anderen, eisen we op hoge toon meer ruimte voor ons zelf. Iedereen die de western High Noon heeft gezien, weet dat dat op een vuurgevecht moet uitdraaien. ‘This town ain’t big enough for the both of us.’

In zijn essaybundel Tijd van onbehagen probeert filosoof Ad Verbrugge te ontrafelen hoe we hierin verstrikt zijn geraakt. En als een filosoof Patrick Bateman, de ijdele lustmoordenaar uit de roman American Psycho, en het
monster van Frankenstein aanhaalt als relevante allegorieën voor onze tijd, weet je vrijwel zeker dat het geen vrolijk verhaal wordt. Verbrugge stelt zijn lezer niet teleur. In een grimmig relaas zet hij uiteen hoe het jaren zestig-ideaal van individuele vrijheid is uitgemond in botte behoeftebevrediging, waarbij we anderen alleen nog beoordelen op de mate waarin ze aan ons individuele genot kunnen bijdragen. Dat komt omdat de vrije markt met het goedbedoelde ideaal aan de haal is gegaan, meent de filosoof. Opgezweept door reclame en commercie, hebben mensen hun individuele vrijheid niet gebruikt om zich op zelfontplooiing te storten, zoals de hippies zich hadden voorgesteld, maar jaagt iedereen de vervulling van zijn oneindige lijst verlangens
na.

‘De wereld is er ogenschijnlijk om door “jou” te worden geconsumeerd en om “jou” een goede tijd te geven’, schrijft Verbrugge. We zijn roofdieren en we zitten er helemaal niet mee om mensen voor dat doel te misbruiken. Sterker nog: ‘Men krijgt er zelfs een kick van door anderen te kwetsen en te bruuskeren.’ Geen wonder dat het minder gezellig is geworden de laatste tijd; we moeten de hele dag grommend aanvallen op onze persoonlijke ruimte afslaan. Je eraan onttrekken kan alleen door je onder de dekens te begraven en te hopen dat de bovenbuurman zijn boormachine niet in de muur zet. Maar Carpers zonder riante erfenis komen er niet onderuit: ze moeten die veilige haven verlaten om hun brood te verdienen. En juist op een gemiddelde werkdag moeten alle zeilen worden bijgezet om het eigen territorium te bewaken. Het begint al in de trein op weg naar kantoor. Het gevecht om een zitplaats valt met een paar goede ellebogen wel te winnen. Maar vervolgens dringen medereizigers alsnog je persoonlijke ruimte binnen – in onze cultuur proberen we een meter bij elkaar uit de buurt te blijven – met hun gesnuif, gesmak, goedkope luchtjes, telefoontjes over de ochtendvergadering.

En dan de schrik van elke treinforens: de praatzieke collega die om half acht ’s ochtends van wal steekt over zijn nieuwe telescoophengel. Tegen een smakkende buurman kun je uitvallen, maar hoe poeier je een collega af zonder er op kantoor een vijand bij te krijgen? ‘Achter de krant duiken komt lomp over’, zegtLilian Woltering, die trainingen geeft in zakelijke etiquette. ‘Maar je kunt wel zeggen dat je nog wat werk moet voorbereiden en daarom helaas geen tijd hebt voor een praatje.’ Je kunt ook in een stiltecoupé gaan zitten.

Nu we elkaar in een normale wagon het licht in de ogen niet meer gunnen, is de NS vorig jaar gestart met stiltecoupés op intercitytrajecten. Muziek, praten en huilen zijn verboden en mobiele telefoons moeten uit. De rust in de coupés komt niet uit de lucht vallen. De NS hoopt dat reizigers in eerste instantie elkaar corrigeren; mensen die de stilte ernstig verstoren, krijgen van de conducteur een proces-verbaal aan hun broek. Kijk, ondanks de weldadige stilte, toch af en toe even op van je laptop; december vorig jaar brandde een stiltecoupé bij Barendrecht volledig uit nadat een bank was aangestoken.

Veilig op de zaak aangekomen, begint de ellende pas echt. Collega’s die praten alsof ze een vliegtuig moeten overstemmen. De rotzooi van de buurman die jouw helft van het bureaueiland langzaam overneemt. En niet te vergeten de gesel van het moderne kantoorleven: de mobieltjes die mensen op hun bureau laten liggen en die elk moment in een polyfone riedel kunnen losbarsten. ‘Gewoon meenemen dat ding’, vindtLilian Woltering, maar realiseert zich al snel dat ze de lat daarmee te hoog legt. ‘Zet hem in ieder geval in de trilstand zodat niet iedereen naar jouw Madonnatune hoeft te luisteren.’

Al die horkerigheid op de werkvloer verbaast Ad Verbrugge niets. Als je individuele vrijheid heilig verklaart ‘slijten de gedeelde symbolen, rituelen en omgangsvormen, ook al is het maar de groet, waarin we elkaar tot ons recht laten komen’, schrijft hij in zijn boek. En juist die gedeelde bagage is volgens de filosoof nodig om vast te kunnen stellen wanneer we elkaar in de wielen rijden. Als die rem wegvalt, woekert onze territoriumdrift door tot we hardhandig in botsing komen met de opgeheven achterpoot van iemand anders. Lomp zijn is zo stoer dat de misdadiger inmiddels een cultstatus heeft bereikt. Pulp Fiction regisseur Quentin Tarantino maakt er nog een grap van, maar populaire rappers zijn bloedserieus als ze dwepen met Tony Montana uit Scarface. Oké, hij moordt erop los en sterft met zijn neus in een berg cocaïne, maar hij heeft het leven wel naar zijn hand gezet. We zien de misdadiger als een prikkelende uitvergroting van onszelf, meent Verbrugge, ‘waarin we als Übermenschen op de aardbol rond paraderen.’

Toch is het met de ‘Lebensraum’ van de Nederlandse kantoorklerk nog niet zo slecht gesteld. Volgens de Arbo-wet heeft elke beeldschermwerker recht op acht vierkante meter eigen domein. ‘Het gemiddelde ligt in Nederland eerder op de vijftien à zestien vierkante meter’, zegt Leo van Bemmel van kantoorverhuurder Officetime. Zeven op de tien kantoren zijn cellenkantoren, ofwel hokjes aan weerszijde van lange gangen; een infrastructuur die inderdaad sterk aan de Bijlmerbajes doet denken. De in de Verenigde Staten populaire kantoortuin is volgens Van Bemmel nooit doorgebroken in Nederland. ‘Je ziet ze alleen in specifieke bedrijfstakken, zoals dealingrooms bij banken. Nederlanders voelen zich al snel bekeken.’ Bovendien is er een strakke hiërarchie die wij egalitaire Nederlanders erg op prijs stellen. ‘De gemiddelde werknemer begint zijn loopbaan op een kamer met één of twee anderen, schuift als het lekker gaat door naar een gedeelde hoekkamer en krijgt als kroon op zijn carrière een kamer alleen.’

Wat een feest, zo’n eigen koninkrijkje. Geen collega meer die domme grappen maakt of gele tanden heeft waar je tegen aan moet kijken. Maar het gevaar is nog niet geweken, je moet net als iedere sterveling zelf koffie halen of een paar kopietjes draaien. In principe is de persoonlijke ruimte bij praktische handelingen redelijk makkelijk af te schermen: een ferme tred en een afgemeten ‘môgge’ zijn meestal genoeg. Tot het ook ‘gezellig’ moet worden. Mensen zien verjaardagen met taart als een enorme bedreiging voor hun personal space, merktLilian Wolteringop haar trainingen. ‘Veel werknemers, vooral vrouwelijke, vinden het gezoen van collega’s waarmee dat gepaard gaat vreselijk.’ Er iets van zeggen zonder iemand op het hart te trappen is moeilijk, vindt Woltering. ‘Daar moet je de humor voor hebben. Wat je het beste kunt doen, is een hand uitsteken en zorgen dat je je arm stijf houdt. Veel mensen begrijpen namelijk niet dat een hand betekent dat je niet gezoend wilt worden.’

Werkneemsters die een Lubberiaanse kneep in de bil krijgen, moeten hun mond juist wel direct open doen, meent Woltering. ‘Als Lubbers het echt gedaan heeft, is dat natuurlijk onverstandig. Altijd handjes thuis. Maar het is wel raar dat die mevrouw er maandenlang mee gewacht heeft om een klacht in te dienen. Bij ongewenste aanrakingen moet je de dader er meteen op aanspreken. In de meeste gevallen gebeurt het daarna nooit meer.’

Gewenste aanrakingen en geflirt zijn weer een heel ander verhaal. Menig relatie bloeit op onder het systeemplafond. En wie wil niet één keer in zijn leven de ultieme kantoorfantasie in praktijk brengen en met een collega het kopieerapparaat delen? Fout. Fout. Fout. Flirtende collega’s mogen elkaars persoonlijke ruimte dan vrijwillig binnendringen, de omgeving vindt dat gegiechel bij het koffieapparaat al snel razend irritant. ‘Iedereen heeft het direct door’, zegt Woltering: ‘Daar vergissen de mensen die op het werk met elkaar flirten zich vaak in. Dus ga zo snel mogelijk buiten de deur verder.’

Aan het eind van een slopende werkdag volgt de laatste arena waarin de persoonlijke ruimte verdedigd moet worden: de bedrijfsborrel. Het staat in geen enkele functieomschrijving en de baas zegt altijd dat je niet hoeft te komen als je niet wilt, maar je weet zeker dat je carrière niet vooruit te branden als je niet regelmatig de getapte werknemer uithangt in de kroeg of bij het karten. Dus je je dapper door de schuine dijenkletsers amicale klappen op je schouder heen. Of blijft vriendelijk glimlachend naar achteren stappen om je overhellende collega op afstand te houden. Aan de bar lonkt Koning Alcohol om het allemaal wat dragelijker te maken. Naast het gevaar dat je door drank dingen zegt waar je later spijt van krijgt, moeten vrouwen volgens Lilian Wolteringnog eens extra
voorzichtig zijn. ‘Helaas wordt een man die te veel drinkt nog steeds als een toffe peer gezien en een dronken vrouw een losbol.’

Eindelijk naar huis. Maar pas op: zak niet vol zelfbeklag onderuit voor de buis. Je moet je partner nog vermaken. In deze hyperindividuele tijden hebben we geen zin meer in andermans ellende en is verveling onze grootste vijand, houdt Ad Verbrugge ons voor in zijn boek Tijd van onbehagen. Calculerende burgers verbreken hun huwelijk zodra ‘ze er geen zin meer in hebben en het saai zijn gaan vinden’. Welt er wat neerslachtigheid op? Geen nood; daar zijn uitstekende pillen voor.